machinemuseum

  Deze website wordt u aangeboden door Stichting Machinemuseum Zwolle

De gloeikop motoren vallen onder de middeldruk diesel.

De benzine motor werkt op een lage druk van (4 tot 5 at.) de dieselmotoren hoge druk (32at.) en daar tussen in de gloeikop zo (16 tot 20 at.)vandaar middeldruk.

Oorspronkelijk in beging waren deze motoren ontwikkeld voor een druk van ongeveer (7 at.) later werd deze druk opgevoerd.

 Motoren werken volgens het tweetaktsysteem.

Motoren met gloeikop, gloeiplaat of gloeipunt

Behalve benzine worden uit aardolie brandstoffen gewonnen die bij een hogere temperatuur koken, voor de industrie van minder belang en daardoor lager in prijs waren, terwijl ook het brandgevaar minder groot is.

Het zijn de zware vloeibare brandstoffen, zoals' gasolie en dieselolie, waarvan het soortelijke gewicht varieert van 0,85 tot 0,95 en waarvan het kookpunt ligt tussen 200 en 350 graden C.

Voor het gebruik in mengselmotoren zijn deze stoffen niet geschikt, omdat ze bij gewone temperatuur moeilijk verdampen en er bij het verblijf in de cilinder gedurende zuig- en compressieslag een deel van de brandstof tegen de gekoelde motordelen zou neerslaan en een slechte verbranding en dus vervuiling van de motor zou veroorzaken.

De brandstof moet daarom eerst op het laatste ogenblik in de cilinder worden gebracht, dat wil zeggen aan het einde van de compressie van de verbrandingslucht.

Om de brandstof te verdampen en de ontsteking met zekerheid te doen plaats hebben, laat men de brandstof door een sproeier als een fijn straaltje tegen een gedeelte van het cilinderdeksel spuiten, dat op hoge temperatuur wordt gehouden, namelijk donkerrood heet (fig.16).

Vroeger werd het gedeelte van het deksel, waarin de verbranding moest plaats vinden, bolvormig gemaakt en niet gekoeld.

Door de warmteontwikkeling bij de opeenvolgende verbrandingen werd de kop roodgloeiend; daarom noemt men deze motor gloeikop motor

Voor het eerste aanzetten werd de kop op temperatuur gebracht door een blaaslamp(brander).

De hoge temperatuur maakt het materiaal onsterk, zodat er op de duur scheuren ontstaan.

De gloeikop werd daarom vervangen door een gloeiplaat, zodat de rest van de cilinderkop gekoeld kon worden.

Ook deze gloeiplaat neemt men liefst zo klein mogelijk, soms zo klein, dat men spreekt van een gloeipunt.

Een bezwaar van deze wijze van ontsteken blijft, dat men het gloeilichaam voor het aanzetten van de motor op temperatuur moet brengen en dat deze temperatuur en dus de zekerheid van de ontbranding bovendien afhankelijk zijn van de mate van belasting van de motor.

Bij matige belasting wordt het gloeilichaam te koud, zodat men de blaaslamp (brander) moet gebruiken en bij langdurig vol belast draaien stijgt de temperatuur soms te veel, zodat de brandstof te snel verdampt en de motor door de overmatige hoge verbrandingsdrukken stotend gaat werken.

Toch is deze methode eenvoudiger en veroorzaakt minder storingen dan de elektrische ontsteking met een bougie.

Op kleine vaartuigen, waar dikwijls technisch weinig onderlegd personeel de motor moest bedienen, paste men de gloeiplaat motor nog wel toe, al won de Dieselmotor ook hier terrein.

 

 
Een 2 cilinder Hollandia gloeikop motor

van de achter kant gezien.